Om deze website te kunnen gebruiken dient u Javascript in te schakelen.

Expertise Klinische Genetica

Erfelijke hartziekten

Erfelijke hartziekten zijn aandoeningen van het hart die worden veroorzaakt door een verandering in het erfelijk materiaal. Er kan sprake zijn van een erfelijke hartziekte wanneer verschillende familieleden te maken krijgen met een hartziekte of plotse dood. De meeste erfelijke hartziekten erven autosomaal dominant over. 'Autosomaal' betekent dat zowel mannen als vrouwen deze aandoening kunnen krijgen. 'Dominant' betekent dat iemand die de genetische verandering heeft 50% kans heeft deze door te geven aan zijn of haar kinderen.

Spreekuur Cardiogenetica

Voor een afspraak op het spreekuur Cardiogenetica is een verwijsbrief noodzakelijk. Afhankelijk van het ziektebeeld nodigen wij u uit voor een of meer soorten spreekuren, zoals:

  • het gecombineerde spreekuur met een klinisch geneticus en een cardioloog;
  • het spreekuur familiepoli, bedoeld voor familieleden van patiënten met een erfelijke hartziekte;
  • het spreekuur met een klinisch geneticus;
  • het spreekuur met een klinisch geneticus en een kindercardioloog;
  • het spreekuur Syndroom van Marfan.

Wij verzorgen ook spreekuren in het Zuyderland ziekenhuis Heerlen, Viecuri Venlo en Máxima Medisch Centrum Veldhoven. 

Bekijk de wachtlijst Klinische Genetica Maastricht UMC+

Uw afspraak op de poli Klinische Genetica

Familie maakt selfie

Plotse dood reden voor erfelijkheidsonderzoek

Artsen die te maken krijgen met een plotse dood van hun patiënt onder de 50 jaar of bij een persoon met verdenking op een erfelijke (hart)ziekte en die DNA veilig willen stellen van de overledene kunnen materiaal insturen naar het Laboratorium Klinische Genetica.

Bij plots overlijden van patiënten onder de 50 jaar is de kans 50-70% dat het om een erfelijke hartziekte gaat. Het is belangrijk om de oorzaak van het overlijden te achterhalen, aangezien dit belangrijke gevolgen kan hebben voor familieleden.

Obductie op de overledene kan belangrijke informatie geven over de doodsoorzaak. DNA van de overledene kan worden opgeslagen voor eventueel toekomstig genetisch onderzoek. Ook indien er geen toestemming is voor obductie op de overledene, kan DNA-opslag middels een huidbiopt of bloedafname bij de overledene zinvol zijn om toekomstig genetisch onderzoek mogelijk te maken.

Op dit DNA van de overledene wordt nog geen onderzoek ingezet. Dit dient eerst besproken te worden met eerstegraadsfamilieleden. Deze familieleden hebben hiervoor een verwijzing naar onze polikliniek nodig. Tijdens het spreekuur wordt bekeken of cardiologisch onderzoek van deze familieleden aangewezen is.

Vormen erfelijke hartziekten

  • Erfelijke hartspieraandoeningen (cardiomyopathieën)

    Dilaterende cardiomyopathie (DCM)

    Dilaterende cardiomyopathie (DCM) is een ziekte waarbij het hart is verwijd. De hartspier is verslapt of wordt dunner. Hierdoor kan het hart het bloed minder goed door het lichaam pompen. Sommige mensen ervaren al op jonge leeftijd klachten, terwijl andere patiënten nooit klachten krijgen. DCM is een chronische aandoening. Dat betekent dat deze niet te genezen is. De cardioloog schrijft medicijnen voor die ervoor zorgen dat de ziekte niet erger wordt en de gevolgen van de ziekte zo veel mogelijk worden beperkt.

    Kenmerken:

    • verminderd uithoudingsvermogen
    • kortademigheid
    • pijn op de borst
    • hartritmestoornissen die kunnen leiden tot duizeligheid, flauwvallen en (soms) plotseling overlijden

    Hypertrofe cardiomyopathie

    Hypertrofe cardiomyopathie (HCM) staat voor verdikking (hypertrofie) van de hartspier. Hierdoor kan de hartspier niet goed samentrekken en wordt het bloed minder goed door het lichaam gepompt, waardoor de organen minder zuurstof krijgen.

    De behandeling van HCM is erop gericht de klachten te verminderen en verslechtering van de ziekte te voorkomen of af te remmen. De meest gebruikte geneesmiddelen zijn bètablokkers en calciumantagonisten. Deze medicijnen zorgen ervoor dat het hart minder sterk en minder vaak samentrekt. Hierdoor kan het hart zich tussen de samentrekkingen volledig met bloed vullen, wat tot een betere hartslag leidt.

    Kenmerken:

    • verminderd uithoudingsvermogen
    • pijn op de borst
    • hartritmestoornissen
    • duizeligheid
    • flauwvallen
    • plots overlijden

    Aritmogene cardiomyopathie

    Bij aritmogene cardiomyopathie (ACM) wordt de hartspier gedeeltelijk vervangen door vet- of bindweefsel. Meestal gaat het om de rechterkamer. Door deze veranderingen in de hartspier kunnen er stoornissen in het hartritme ontstaan. Op termijn kan de pompfunctie van het hart ook achteruit gaan en wordt er minder bloed door het lichaam gepompt.  

    Kenmerken:

    • zeer snelle hartslag
    • duizeligheid
    • flauwvallen
    • kortademigheid
    • verminderd inspanningsvermogen
    • soms (plotseling) overlijden

    Non-compactie cardiomyopathie

    Bij non-compactie cardiomyopathie (NCCM) verandert de structuur van de hartspier. De spierwand van de linkerhartkamer is bij deze ziekte verdikt. Het spierweefsel bestaat uit een losmazige, niet compacte structuur met grove spierbundels waartussen holtes kunnen ontstaan. Door deze verandering van de hartspier kan het hart het bloed minder goed door het lichaam pompen. NCCM kan niet worden genezen. De behandeling bestaat meestal uit het voorschrijven van medicijnen die de klachten moeten verminderen.

    Kenmerken:

    • kortademigheid
    • verminderd uithoudingsvermogen
    • hartkloppingen
    • hartritmestoornissen
    • duizeligheid
    • flauwvallen
    • plots overlijden
  • Erfelijke hartritmestoornissen

    Brugada syndroom

    Bij het Brugada syndroom is de elektrische activiteit van het hart verstoord. De prikkelgeleiding van het hart zorgt ervoor dat eerst de boezems van het hart, dan de tussenwand en als laatste de hartkamers samentrekken. Een hartfilmpje (ECG, afkorting voor elektrocardiogram) laat dat zien. Wanneer de afwijking op het ECG niet duidelijk is, kunnen de Brugada-kenmerken worden opgewekt door toediening van bepaalde medicijnen: de ajmaline- of flecaïnideprovocatietest. Andere uitlokkende factoren voor ernstige hartritmestoornissen zijn koorts en het gebruik van bepaalde medicijnen. Soms is het implanteren van een ICD (implanteerbare cardioverter defibrillator) noodzakelijk. Deze kan in geval van een levensbedreigende hartritmestoornis, een elektrische schok geven om het hartritme te herstellen.

    Kenmerken:

    • duizeligheid
    • wegrakingen
    • hartkloppingen
    • plotse dood

    Lange QT-tijd-syndroom

    Patiënten met het Lange QT-tijd-syndroom (LQTS) hebben een verstoring van de prikkelgeleiding van het hart. De prikkelgeleiding zorgt ervoor dat eerst de boezems van het hart, dan de tussenwand en als laatste de hartkamers samentrekken. Een hartfilmpje (ECG, afkorting voor elektrocardiogram) laat dat zien. De tijd die het hart nodig heeft om te ontspannen heet de QT-tijd. Bij het LQTS is deze tijd langer dan normaal. Dit kan leiden tot hartritmestoornissen.

    De wegrakingen kunnen lijken op een epileptische aanval. Vaak ontstaan de klachten door stress, emoties, schrik, harde geluiden, inspanning. Het risico op ritmestoornissen bij patiënten met LQTS kan toenemen bij het gebruik van bepaalde medicijnen. Deze dienen vermeden te worden. Het is daarom van belang uw behandelend arts en uw apotheek op de hoogte te brengen van de diagnose LQTS. Ook extreem braken en diarree kunnen hartritmestoornissen uitlokken.

    Binnen een familie kan de ernst van de verschijnselen sterk variëren. Sommige personen hebben al op jonge leeftijd ernstige problemen, terwijl anderen nooit klachten hebben. Met behulp van specifieke medicijnen (zogenaamde bètablokkers) kan de kans op deze klachten sterk worden verminderd. Soms is het implanteren van een ICD (implanteerbare cardioverter defibrillator) noodzakelijk. Deze kan in geval van een levensbedreigende hartritmestoornis, een elektrische schok geven om het hartritme te herstellen.

    Kenmerken:

    • duizelingen
    • flauwvallen
    • plots overlijden

    Sick Sinus syndroom

    De sinusknoop bevindt zich in de rechterboezem van het hart. Dit gedeelte van het hart geeft signalen af die ervoor zorgen dat het hart regelmatig samentrekt. Bij het Sick Sinus syndroom (SSS) worden te weinig signalen afgegeven, waardoor het hart te langzaam werkt. Het komt ook voor dat de sinusknoop afwisselend teveel en te weinig signalen afgeeft. Het hart slaat hierdoor het ene moment te snel en dan weer te langzaam. Deze verschillende hartritmes kunnen leiden tot een onprettig gevoel of overmatig zweten. Bij inspanning versnelt de hartslag vaak onvoldoende.

    De behandeling van SSS bestaat over het algemeen uit medicijnen. In sommige gevallen kan een pacemaker nodig zijn. Een pacemaker heeft een sensor die het hartritme bewaakt. Als het nodig is geeft de pacemaker stroomstootjes, zodat het hart weer een goed ritme krijgt.

    Kenmerken:

    • hartbonzen
    • hartkloppingen
    • opvliegers
    • zich onprettig voelen
    • duizeligheid
    • neiging tot wegraken
    • pijn op de borst
  • Structurele aangeboren hartafwijkingen

    Bij aangeboren hartafwijkingen is er een afwijking in de opbouw van het hart. Aangeboren hartafwijkingen komen veel voor. Er kan sprake zijn van een aangeboren hartafwijking zonder bijkomende medische problematiek. Het kan ook passen bij een syndroom of chromosoomafwijking.

    Enkele voorbeelden van syndromen met aangeboren hartafwijking:

    • syndroom van Down
    • Noonan syndroom
    • syndroom van Turner
    • Deletie 22q11.2 syndroom
    • CHARGE syndroom
    • Williams syndroom
  • Vroegtijdige aderverkalking

    Bij atherosclerose raken de (slag)aders vernauwd door aderverkalking. Ophopingen van vet- en lichaamscellen vormen plaques. Gedurende het proces zet het lichaam kalk af in deze plaques. Dit verklaart de naam aderverkalking. Het bloed kan dan minder goed doorstromen. Op termijn kan dit leiden tot hart- en vaatziekten, zoals bijvoorbeeld een hart- of herseninfarct. In een aantal families speelt erfelijkheid een rol.

    Risicofactoren voor aderverkalking

    • een verhoogd cholesterol
    • suikerziekte
    • overgewicht
    • roken
  • Verwijdingen van bloedvaten

    Een aneurysma is een plaatselijke verwijding van een ader of een slagader. Een dergelijke verwijding kan optreden in elk bloedvat. Met name wordt het gezien in bloedvaten van de hersenen en de aorta. De vaatwand rekt door de verwijding uit en wordt dunner. In het bloedvat loopt de spanning op. De bloedstroom raakt verstoord, waardoor een stolsel kan ontstaan. Stukjes stolsel kunnen loslaten en ergens anders in het lichaam kleine bloedvaten verstoppen. In het ergste geval kan een bloedvat scheuren.

    Risicofactoren voor aneurysmata kunnen zijn: het toenemen van de leeftijd, roken, hoge bloeddruk of hart- en vaatziekten.

    Personen met een aneurysma hebben meestal geen klachten. Een aneurysma wordt dikwijls bij toeval opgemerkt, bijvoorbeeld bij radiologisch onderzoek. Soms komt een aneurysma voor zonder risicofactoren. In deze families kan er sprake zijn van een andere, erfelijke oorzaak.

    Kenmerken:

    • uitvalsverschijnselen
    • hevige hoofdpijn
    • hevige buik- of rugpijn
    • kloppende zwelling in de buik
    • shock

Expertisecentrum

In juni 2015 heeft de minister van VWS het Maastricht UMC+ als expertisecentrum gekwalificeerd voor een zestal cardiogenetische ziektebeelden:

  1. Dilaterende cardiomyopathie (DCM)
  2. Hypertrofische cardiomyopathie (HCM)
  3. Aritmogene rechterventrikel cardiomyopathie of dysplasie (ACM)
  4. Lange-QT syndroom (LQTS)
  5. Idiopatisch ventrikelfibrilleren
  6. Brugada syndroom

Wetenschappelijk onderzoek

  • Worm Studie

    De Worm Studie richt zich op de erfelijke factoren van een hartstilstand door ritmestoornissen. In de regio Zuid-Limburg/Aken woont een founder familie met een genetische verandering in het SCN5A-gen. Een founder familie is een familie waarvan wordt verondersteld dat ze dezelfde voorouder hebben, waardoor ze veel genetisch materiaal delen.

    Het SCN5A-gen draagt bij aan de elektrische stabiliteit van het hart. Een genetische verandering in dit gen verhoogt het risico op een plotse hartstilstand. Niet alle familieleden in deze familie vertonen hetzelfde ziektebeeld. In de studie worden ook familieleden geïncludeerd die geen drager van de familiaire mutatie zijn. Op die manier kan worden onderzocht of er andere genetische verklaringen, 'genetic modifiers', zijn voor het wisselende cardiologische ziektebeeld in deze familie.

  • VIGILANCE

    In de studie VIGILANCE ('Noninvasive electrocardiographic imaging for individuals at risk for apparently idiopathic ventricular fibrillation (iVF)') doen we onderzoek naar mensen met een hoger risico op een levensbedreigende hartritmestoornis: ventrikelfibrilleren. Ventrikelfibrilleren leidt tot hartstilstand en indien geen adequate reanimatie wordt gegeven en elektrische defibrillatie, komt de patiënt te overlijden.

    Ventrikelfibrilleren komt vaak voor, maar wordt meestal secundair uitgelokt door bijvoorbeeld een hartinfarct, elektrolytstoornis, hartfalen of een andere (hart)ziekte. In zeldzame gevallen maakt een patiënt ventrikelfibrilleren (en dus hartstilstand) door, zonder dat er een aantoonbare oorzaak/afwijking wordt gevonden. Soms vinden wij bij deze patiëntengroep een genetische oorzaak die hartritmestoornis(sen) veroorzaakt, echter niet bij iedereen. Dit wordt idiopatisch ventrikelfibrilleren (iVF) genoemd.

    Met het VIGILANCE-project willen we beter in beeld brengen welke elektrische substraten en triggers onderliggend zijn aan iVF. Hiervoor gebruiken we een nieuwe onderzoekstechniek: ElectroCardioGraphic-Imaging: ECGI.

    Wij passen bij de patiënt body-surface ECG mapping toe. Hiervoor plaatsen we 256 elektrodes over de gehele borstkas. Deze elektrodes brengen de elektrische activatie, geleiding en repolarisatie in het hart in kaart. Ook maken we een CT-scan van de borstkas en het hart. Met al deze informatie kunnen we een driedimensionale kaart maken van de elektrische kenmerken van de oppervlakte van het hart. Kleine foutjes in de hartgeleiding kunnen beter worden opgespoord. Naast het toepassen van ECGI bij deze patiënten en hun familieleden, richten we een nationale database op.

    Doel van de studie:

    • oorzaken begrijpen die iVF veroorzaken;
    • leren voorspellen wie een hoger risico heeft op iVF;
    • iVF voorkomen door medicatie of elektronisch onderzoek;
    • in kaart brengen van elektrische eigenschappen van specifieke patiëntengroepen (met een genetische afwijking).

    Deze studie is een initiatief van Maastricht UMC+, UMC Utrecht en Amsterdam. UMC. De uitvoering vindt plaats in alle umc's en in een aantal grote perifere ziekenhuizen in Nederland. In de deelnemende centra zijn meerdere promovendi en postdocs aangesteld. Het onderzoek vindt plaats onder supervisie van prof. dr. P. Volders, cardioloog, Maastricht UMC+. Cardiovasculair Onderzoek Nederland (CVON) van de Hartstichting zorgt voor de financiële ondersteuning.

  • FLNC-mutaties en hartspierziekten en/of spierziekten

    Mutaties in het filamine C (FLNC)-gen kunnen leiden tot spier-(myopathie) en/of hartspierziekten (cardiomyopathie). Sommige patiënten met een FLNC-mutatie hebben alleen een spierziekte of een hartspierziekte, terwijl anderen een combinatie van beide aandoeningen hebben.

    Het is nog onbekend of een patiënt met een mutatie in FLNC een verhoogd risico heeft op het ontwikkelen van alleen een hartspierziekte, alleen een spierziekte of beide aandoeningen.

    Doel van het onderzoek:

    • het FLNC-gen in kaart brengen;
    • leren voorspellen of een patiënt een verhoogd risico heeft op het ontwikkelen van een spierziekte, een hartspierziekte of beide.

    Dit onderzoek is een zogenaamde ‘dossier’-studie. Van patiënten met een mutatie in het FLNC-gen verzamelen wij - met toestemming van de patiënt - medische gegevens. Dit zijn de uitslag van het erfelijkheidsonderzoek en de resultaten van het cardiologisch en neurologisch onderzoek. De medische gegevens van deze patiëntengroep vergelijken wij met die van patiënten die in de literatuur beschreven zijn.

    Op basis van de resultaten kunnen we bepalen of er een relatie is tussen waar zich de mutatie in het FLNC-gen bevindt en het klinische beeld. Op deze manier zien wij of het mogelijk is te voorspellen of een patiënt met een mutatie in het FLNC-gen een verhoogd risico heeft op een hartspierziekte, een spierziekte of op beide.

  • Promotieonderzoek naar dilaterende cardiomyopathie

    Op 8 januari 2021 promoveerde Job Verdonschot aan de Universiteit van Maastricht op zijn proefschrift 'Causes and Consequences: Integrating genotype and phenotype to redefine disease diagnostics and therapeutics'.
    Download het proefschrift

    Een dilaterende cardiomyopathie (DCM) is een complexe aandoening van de hartspier die veroorzaakt wordt door erfelijke en omgevingsfactoren. DCM is een vorm van hartfalen die met name voorkomt bij jong volwassenen die midden in het leven staan. De diagnose DCM wordt vaak gevolgd door een chronisch behandeltraject dat er met name op gericht is om het hart goed te ondersteunen en klachten van kortademigheid weg te nemen. Onderzoek naar erfelijkheid middels DNA-onderzoek is een belangrijk onderdeel van de diagnostiek bij een patiënt met DCM. Het vinden van een verandering in het DNA kan gevolgen hebben voor de behandeling en prognose van een patiënt, maar ook voor zijn/haar familie.

    In zijn totaliteit schetst dit proefschrift een compleet beeld van een prevalente, maar complexe aandoening waarbij erfelijkheid een grote rol speelt. Het onderzoek toont aan dat in 1 op de 5 patiënten met DCM een erfelijke factor wordt gevonden, waarbij het vaakst veranderingen worden gevonden in het TTN gen. Veranderingen in TTN maken het hart gevoelig voor ritmestoornissen doordat er meer littekenweefsel gevormd wordt. Echter reageren de meeste patiënten met een TTN mutatie goed op de huidige medicatie, in tegenstelling tot patiënten die een verandering hebben in een ander gen. Een verandering in TTN leidt tot een verandering in de stofwisseling van het hart, en het aangrijpen van deze stofwisselingsverandering kan een toekomstige behandelstrategie worden voor deze specifieke groep patiënten.

    Het is niet zo dat iedereen met een genetische verandering ook DCM zal ontwikkelen. Echter kunnen we op dit moment nog niet goed voorspellen wie wel, en wie niet DCM ontwikkelt. In dit proefschrift beschrijven we andere veranderingen in het DNA die de uiting van een verandering in het TTN gen kunnen beïnvloeden. Met andere woorden, iemand met een TTN mutatie én nog een andere erfelijke mutatie zal DCM op jongere leeftijd ontwikkelen, dan iemand met alleen een TTN mutatie.

    Door gebruik te maken van andere bronnen van informatie hebben we beter onderscheid kunnen maken tussen patiënten met een genetische verandering. We hebben aangetoond dat elke patiënt uniek is, en dat elke genetische verandering andere gevolgen heeft voor het hart. Deze inzichten zorgen er voor dat we beter en gerichter onderzoek kunnen inzetten en tevens kunnen behandelen.

    De impact van genetisch onderzoek voor familieleden van een patiënt moet niet onderschat worden. Er zijn momenteel zorgvuldige protocollen die als doel hebben om familieleden te screenen en eventueel DCM in een vroeg stadium vast te stellen, zodat behandeling tijdig kan starten. In dit proefschrift tonen we aan dat een nieuwe analysemethode van echobeelden familieleden kan identificeren die DCM zullen ontwikkelen. Op deze manier kunnen de familieleden die het meeste baat hebben bij verdere screening door de cardioloog er in een vroeg stadium worden uitgepikt.

    Genetica is een dynamisch vakgebied. Dit heeft er toe geleid dat de toegang tot genetisch onderzoek makkelijker en goedkoper is geworden in de afgelopen jaren. De interpretatie van de genetische uitslagen voor de behandeling van de patiënt en diens familie is een belangrijke vertaalslag die we nu aan het maken zijn. Dit proefschrift draagt belangrijke informatie bij aan deze vertaalslag, en geeft een aanzet voor betere kosten-effectiviteit van de zorg, en een uitzicht op betere diagnostiek en behandeling van DCM-patiënten en diens familieleden.

Sluit de enquête