Ziektebeelden erfelijke tumoren

Erfelijke borstkanker

Bij vijf tot tien procent van alle patiënten met borstkanker is sprake van een erfelijke aanleg. Redenen om te denken aan een erfelijke vorm van borstkanker zijn onder andere:

  • wanneer borstkanker op zeer jonge leeftijd (onder de veertig jaar) voorkomt;
  • wanneer borstkanker in beide borsten of tweemaal in dezelfde borst wordt geconstateerd (waarvan de eerste keer jonger dan vijftig jaar);
  • wanneer meerdere vrouwen binnen één familie borstkanker ontwikkelen en één van deze vrouwen jonger is dan vijftig jaar;
  • wanneer binnen de familie, bij iemand jonger dan zestig jaar, borstkanker bestaat die niet gevoelig is voor hormonen (‘triple negatief’);
  • wanneer een mannelijk familielid borstkanker ontwikkelt;wanneer naast borstkanker ook eierstokkanker voorkomt bij een naast (eerste- of tweedegraads) familielid.

Als de klinisch geneticus een erfelijke aanleg voor borstkanker vermoedt, wordt in overleg met u DNA-onderzoek ingezet. De meest bekende mutaties voor het ontwikkelen van borstkanker zijn die in het BRCA1- of het BRCA2-gen. Bij mutaties in deze genen bestaat ook een verhoogd risico op eierstokkanker. Wij onderzoeken eveneens mutaties in het PALB2- en het CHEK2-gen. Als er een aanwijzing is dat het om een zeldzame vorm van erfelijke borstkanker gaat, worden ook andere genen onderzocht. Een aanwijzing kan zijn wanneer binnen de familie ook nog andere kankersoorten voorkomen.

Het Maastricht UMC+ is officieel erkend als Expertisecentrum Erfelijke Tumoren op het gebied van erfelijke borstkanker.

Erfelijke eierstokkanker

Bij gemiddeld tien tot vijftien procent van de vrouwen die eierstokkanker krijgen, is sprake van een erfelijke aanleg. Daarom adviseren wij om altijd genetisch onderzoek te laten verrichten. Meestal betreft het een mutatie in het BRCA1- en BRCA2-gen. In dat geval is er ook een verhoogd risico op borstkanker. Bij eierstokkanker onderzoeken wij ook de genen RAD51C, RAD51D en BRIP1.

Standaard verrichten wij DNA-onderzoek op het tumorweefsel, dat tijdens de operatie wordt verwijderd. De oncoloog bepaalt, mede aan de hand van de uitslag van deze test en in overleg met u, wat voor u de beste behandeling is. De uitslag van deze test kan aanwijzingen aan het licht brengen voor een hoog risico op erfelijke eierstokkanker. Indien dat zo is, is verder DNA-onderzoek nodig en zult u doorverwezen worden naar een klinisch geneticus.

Het Maastricht UMC+ is officieel erkend als Expertisecentrum Erfelijke Tumoren op het gebied van erfelijke eierstokkanker.

Erfelijke darmkanker

Bij vijftien tot twintig procent van de patiënten met darmkanker is sprake van een familiaire vorm. Dat wil zeggen dat er geen erfelijke aanleg is vastgesteld, maar dat vaker dan gemiddeld darmkanker in de familie voorkomt. Bij naaste familieleden van iemand met darmkanker kan in bepaalde gevallen wel sprake zijn van een verhoogd familierisico op darmkanker. Bij ongeveer vijf procent van de patiënten met darmkanker is sprake van een erfelijke aanleg hiervoor.

Lynch syndroom

Darmkanker veroorzaakt door het Lynch syndroom wordt vaak op relatief jonge leeftijd (onder de vijftig jaar) vastgesteld. Vrouwen met Lynch syndroom hebben ook een verhoogd risico op baarmoederkanker en een lichtverhoogde kans op eierstokkanker.

Polyposis FAP

Ongeveer één procent van alle patiënten met darmkanker heeft FAP (Familiaire Adenomateuze Polyposis). In het slijmvlies van de dikke darm en de endeldarm ontstaan meerdere (honderden tot duizenden) goedaardige poliepen. Deze poliepen kunnen darmkanker worden. Bij FAP ontstaan poliepen vaak al op kinderleeftijd (vanaf ongeveer twaalf jaar). Neemt de patiënt geen voorzorgsmaatregelen, dan is de kans zeer groot dat darmkanker ontstaat.

Polyposis MAP

Bij MAP (MutYH-geassocieerde Adenomateuze Polyposis) komen veel poliepen in de darm voor, meestal minder dan bij FAP en ook ontstaan deze op latere, veelal volwassen leeftijd. 

Erfelijk melanoom

Bij ongeveer tien procent van alle patiënten met melanoom komt tevens melanoom voor bij één of meer naaste familieleden. Dit wordt familiair melanoom genoemd. In veertig tot vijftig procent van de families met familiair melanoom wordt een erfelijke aanleg aangetoond. Melanoom veroorzaakt door een erfelijke aanleg noemen we het FAMMM-syndroom (Familial Atypical Multiple Mole Melanoma). Wanneer met behulp van DNA-onderzoek een erfelijke vorm is vastgesteld, is er een kans van ongeveer zeventig procent op het ontwikkelen van melanoom.

Kenmerken zijn: 

  • meerdere (minimaal drie) eerste- of tweedegraads verwanten binnen één familie hebben een melanoom (gehad);
  • meerdere (minimaal twee) eerstegraads verwanten binnen één familie hebben melanoom (gehad), van wie één verwant met meerdere melanomen;
  • een familielid krijgt drie keer of vaker een melanoom;
  • een familielid krijgt een melanoom op een leeftijd jonger dan 18 jaar;
  • binnen de familie hebben twee personen een melanoom en ook alvleesklierkanker;
  • een familielid heeft zowel melanoom als alvleesklierkanker (gehad).
Sluit de enquête